Het verhaal van

Baron W.C. Röell van Hazerswoude

Geachte bezoeker, 

 

Baron W.C. Röell van Hazerswoude is de naam, maar noemt u mij gerust Baron. ‘Wat heeft een baron te maken met deze kerk?’ zult u zich misschien afvragen. Dat wil ik u graag vertellen. Met uw welnemen ga ik daarvoor eerst terug in de tijd, naar het begin van mijn militaire loopbaan. In 1877 werd ik op zestienjarige leeftijd cadet bij de Koninklijke Militaire Academie. In de veertig jaren die volgden, doorliep ik diverse rangen tot ik in 1916 werd bevorderd tot kolonel. Na mijn pensionering in 1919 werd mij in 1928 de rang van Luitenant-Generaal verleend.

 

Aan het begin van de twintigste eeuw raakte ik betrokken bij het kerkelijk werk. Ik trad toe tot de kerkvoogdij en werd al snel benoemd tot kerkmeester van deze kerk. Als blijk van waardering voor het feit dat ik de kerk 25 jaar (van 1905 – 1930) als kerkvoogd had gediend werd bij de ingang van de kosterij een koperen gedenkplaat bevestigd. Na de restauratie van de kerk is de gedenkplaat helaas niet teruggeplaatst, maar voor deze bijzondere gelegenheid heb ik hem weer van zolder gehaald. Overigens was ik ook kerkmeester van de Domkerk en voorzitter van het College van Kerkvoogden in Utrecht. 

 

In 1910 trad ik toe tot de Johannieter-Orde. Als Werkmeester van deze Orde hield ik mij vanaf 1920 bezig met weldadigheidswerken en het toezicht op enkele ziekenhuizen. In 1936 werd ik bij Koninklijk Besluit benoemd tot Commendator van de Orde als opvolger van wijlen Z.K.H. Prins Hendrik, echtgenoot van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina. 

 

Als voorzitter van het College van Kerkvoogden (President-Kerkvoogd) gaf ik leiding aan de bouw van een aantal kerken in Utrecht: de Vredeskerk (1919), de Oranjekerk (1925), de Wilhelminakerk (1932) en de Julianakerk (1932). Mijn vrouw en ik hebben ook de plaatsing van het orgel in de Vredeskerk mogelijk gemaakt, toen bleek dat het benodigde geld daarvoor niet snel genoeg bijeen kon worden gebracht. In deze periode zette ik mij eveneens met grote ijver in voor de restauratie van de Domkerk. De vele brieven van mijn hand die bewaard zijn gebleven getuigen daarvan.

 

Begin 1937 mocht ik wederom een jubileum vieren, nu vanwege het feit dat ik 

25 jaar als President-Kerkvoogd in functie was. Mijn wens om de Nicolaikerk een hoognodige restauratie te laten ondergaan werd door de jubileumcommissie gehonoreerd. Zoals vaak bij dit type werkzaamheden waren er tegenvallers. De gewelven boven het orgel en in de twee grafkappellen verkeerden in zo’n slechte staat dat snel moest worden ingegrepen. De afronding van deze werkzaamheden heb ik niet meer meegemaakt, maar gelukkig is het herstelwerk ruim 15 jaar later weer opgepakt. Tussen 1943 en 1956 werd het hele westwerk van deze kerk hersteld: de beide torens die sinds Napoleon onder verantwoordelijkheid vallen van het stadsbestuur en het tussengelegen deel dat eigendom is van de kerkvoogdij. Bij deze restauratie deed men allerlei verrassende ontdekkingen over hoe dit gedeelte van de kerk er oorspronkelijk heeft uitgezien. Zo kwam het romaanse venster tevoorschijn waar nu weer een prachtig glas in lood venster zit. De kroon op deze restauratie was de plaatsing van het Marcussenorgel. De grote voorvechter van de komst van dit orgel was Lambert Erné. U vindt zijn verhaal elders in deze fotogalerij.

Baron Röell van Hazerswoude
22 november 1861 - 18 maart 1937